Een bedrijf gaat zelden failliet omdat het verlies maakt. Het gaat failliet omdat het op een bepaald moment zijn facturen niet meer kan betalen. Liquiditeit berekenen is daarom de snelste check die u kunt doen op een klant, een leverancier of uw eigen zaak. In dit artikel leert u de current ratio, de quick ratio en het nettobedrijfskapitaal berekenen met de balanscodes uit de Belgische jaarrekening, en wat een goede waarde is.
Wat is liquiditeit?
Liquiditeit is het vermogen van een bedrijf om zijn kortlopende schulden te betalen: leveranciers, de RSZ, de BTW, de bank die dit jaar een stuk van de lening terug wil. De vraag is simpel: staat er tegenover alles wat binnen het jaar betaald moet worden, voldoende dat binnen het jaar in geld kan worden omgezet?
Die "dingen die snel in geld om te zetten zijn" heten op de balans de vlottende activa: voorraden, klantenvorderingen, geldbeleggingen en de liquide middelen zelf. De schulden die binnen het jaar vervallen heten schulden op ten hoogste één jaar. Alle liquiditeitsratio's zetten die twee tegenover elkaar.
Current ratio, quick ratio en nettobedrijfskapitaal
Er zijn drie maatstaven die elk hetzelfde vertrekpunt gebruiken maar strenger worden:
Quick ratio (liquiditeit in enge zin) = (vlottende activa minus voorraden) / schulden op ten hoogste één jaar
Nettobedrijfskapitaal = vlottende activa minus schulden op ten hoogste één jaar
De current ratio telt alles mee wat vlottend is. De quick ratio laat de voorraden weg, omdat stock niet altijd snel en aan volle waarde te verkopen valt: denk aan een kledingzaak met de wintercollectie in maart, of een bouwhandel met specifieke onderdelen. Het nettobedrijfskapitaal (ook werkkapitaal genoemd) is geen verhouding maar een bedrag in euro: hoeveel blijft er over als u alle kortlopende schulden zou betalen met uw vlottende activa.
Welke balanscodes heeft u nodig?
- Vlottende activa: code 29/58. Vorderingen op meer dan één jaar (29), voorraden en bestellingen in uitvoering (3), vorderingen op ten hoogste één jaar (40/41), geldbeleggingen (50/53), liquide middelen (54/58) en overlopende rekeningen (490/1).
- Voorraden: code 3. Deze trekt u af voor de quick ratio.
- Schulden op ten hoogste één jaar: code 42/48. Het deel van de langlopende leningen dat dit jaar vervalt (42), leveranciers (44), belastingen, bezoldigingen en sociale lasten (45) en overige schulden.
Strikt genomen horen de vorderingen op meer dan één jaar (code 29) niet in een liquiditeitsberekening. Bij de meeste KMO's is die post nul of verwaarloosbaar, dus in de praktijk werkt bijna iedereen met 29/58.
Uitgewerkt voorbeeld uit een jaarrekening
Neem een groothandel in bouwmaterialen met de volgende cijfers op 31 december:
| Balanspost | Code | Bedrag |
|---|---|---|
| Voorraden | 3 | €150.000 |
| Handelsvorderingen | 40 | €250.000 |
| Liquide middelen | 54/58 | €100.000 |
| Vlottende activa | 29/58 | €500.000 |
| Schulden op ten hoogste één jaar | 42/48 | €350.000 |
- Current ratio = 500.000 / 350.000 = 1,43. Voor elke euro die binnen het jaar betaald moet worden, staat er 1,43 euro aan vlottende activa tegenover.
- Quick ratio = (500.000 - 150.000) / 350.000 = 1,00. Zonder de voorraad te verkopen kan het bedrijf net al zijn kortlopende schulden betalen.
- Nettobedrijfskapitaal = 500.000 - 350.000 = €150.000. Die buffer is gefinancierd met eigen vermogen of langlopende leningen.
Het verschil tussen 1,43 en 1,00 vertelt iets op zich: bijna een derde van de vlottende activa zit in voorraad. Komt die stock traag buiten, dan is de reële liquiditeit dichter bij 1 dan bij 1,43.
Wat is een goede liquiditeit?
Voor de current ratio worden in de praktijk deze richtwaarden gebruikt. Ze gelden voor een doorsnee KMO en niet als absolute wet:
| Current ratio | Beoordeling | Wat het betekent |
|---|---|---|
| < 1 | Risico | Er vervalt meer binnen het jaar dan er aan vlottende activa tegenover staat. Het bedrijf leeft van nieuwe omzet, uitstel bij leveranciers of een kaskrediet. |
| 1 tot 1,2 | Krap | Het lukt, maar één grote wanbetaler of een trage maand kan het evenwicht verstoren. |
| 1,2 tot 2 | Gezond | Voldoende buffer om tegenslagen op te vangen zonder overdreven veel geld te laten stilstaan. |
| > 2 | Mogelijk te ruim | Veilig, maar misschien te veel inactieve middelen: cash die niet rendeert, klanten die te laat betalen of te veel stock. |
Voor de quick ratio ligt de lat lager: rond 1 is comfortabel, onder 0,5 wordt het bedrijf erg afhankelijk van zijn voorraadrotatie.
Liquiditeit versus solvabiliteit en cashflow
Drie begrippen die vaak door elkaar lopen, maar elk een andere vraag beantwoorden:
- Liquiditeit: kan het bedrijf de facturen van de komende twaalf maanden betalen? Een momentopname op balansdatum.
- Solvabiliteit: kan het bedrijf op lange termijn zijn totale schuldenlast dragen? Berekend als eigen vermogen gedeeld door totaal vermogen. Meer daarover in solvabiliteit berekenen: formule, norm en voorbeeld, of bereken beide ratio's samen met de gezondheidsscore-tool.
- Cashflow: hoeveel geld genereert het bedrijf over een heel jaar uit zijn werking? Een stroom in plaats van een stand.
Een bedrijf kan zeer solvabel zijn en toch een current ratio van 0,7 hebben omdat al het vermogen vastzit in stenen. En een bedrijf met een prima current ratio kan een negatieve cashflow hebben omdat het zijn winst opnieuw in voorraad en klantenkrediet steekt. Waarom winst en geld op de rekening niet hetzelfde zijn, leest u in winst versus cashflow.
De balansdatum kan vertekenen
De liquiditeit is een foto van één dag, meestal 31 december. Een bedrijf dat net voor jaareinde een grote klant int of zijn kaskrediet aanzuivert, oogt beter dan het gemiddeld is. Kijk daarom ook naar het klantenkrediet in dagen (DSO): dat toont hoe het geld het jaar door echt beweegt. Hoe u dat berekent, leest u in de DSO-check.
Wat moet een leverancier hieruit besluiten?
Wie op rekening levert, geeft krediet. Bij een faillissement worden leveranciers pas betaald na de bevoorrechte schuldeisers (RSZ, fiscus, bank), dus de current ratio van uw klant is uw eerste risicomaatstaf. Praktische vuistregels:
- Current ratio onder 1: vraag een voorschot of betaling bij levering, zeker bij een eerste bestelling of een groot bedrag. Beperk uw openstaand saldo tot wat u kunt missen.
- Current ratio tussen 1 en 1,2: lever op rekening, maar hanteer een korte betalingstermijn (30 dagen, de wettelijke standaard als niets werd afgesproken) en volg vervaldagen strikt op.
- Current ratio boven 1,2: normale voorwaarden. Kijk wel naar de trend: een ratio die van 1,8 naar 1,2 zakt in twee jaar, is belangrijker dan het cijfer zelf.
- Quick ratio ver onder de current ratio: de klant zit met veel stock. Bij een sector met snel verouderende voorraad (mode, elektronica) is dat een extra risico.
Een dalende liquiditeit komt zelden alleen. Combineer ze met de andere waarschuwingssignalen uit 5 signalen die wijzen op een dreigend faillissement: oplopende schulden aan RSZ en fiscus, laattijdige neerlegging en een negatief eigen vermogen.
Liquiditeit opzoeken op Jaarrekening.be
U hoeft de codes niet zelf uit de NBB-jaarrekening te halen. Zoek een bedrijf op via de bedrijfszoeker en open het tabblad Financiële kerncijfers. Onder Liquiditeit staan de current ratio en quick ratio voor elk neergelegd boekjaar, met een grafiek van de evolutie over meerdere jaren. Daaronder vindt u de onderliggende balansposten (liquide middelen, handelsvorderingen, voorraden, schulden op korte termijn), het werkkapitaal en het klanten- en leverancierskrediet in dagen, zodat u meteen ziet waar een verandering vandaan komt. Sectorgenoten vergelijken kan via uitgebreid zoeken.
Samengevat
Liquiditeit berekenen is een deling van twee balansposten: vlottende activa (29/58) door schulden op ten hoogste één jaar (42/48). Trek de voorraden (3) af voor de strengere quick ratio. Een current ratio tussen 1,2 en 2 is gezond voor de meeste KMO's, onder 1 is een risico dat u als leverancier best afdekt met een voorschot. Lees het cijfer altijd in zijn sector, in zijn evolutie en samen met de solvabiliteit en de cashflow.